Risico (financieel)
From Sterwiki
Risico is in de financiële wereld (en meer in het bijzonder in
het vermogensbeheer en het bankwezen) een essentieel doch zeer divers begrip. De meest
algemene (en daarmee tevens niet erg inzichtelijke) omschrijving zou zijn: de
kans dat er zich een onverwachte en ongewenste gebeurtenis voordoet, die de
waarde van de financiële activa (bezittingen) van de betreffende
organisatie aantast.
Bij de meeste financiële instellingen is het beheersen en beperken van
het risico opgedragen aan een aparte organisatorische afdeling Risicomanagement (Engels:
risk-management).
Hoewel er in de literatuur een groot aantal typeringen van (deel-)risico's
zijn genoemd, bestaat er een redelijke consensus over de vormen van risico
waarmee een financiële instelling in elk geval te maken heeft, en die
men derhalve op enigerlei manier zal moeten trachten te bewaken. De
navolgende opsomming heeft zeker niet de pretentie van volledigheid.
Table of contents |
1 Koersrisico (ook bekend als marktrisico) 2 Debiteurenrisico 3 Settlementsrisico 4 Juridisch risico 5 Operationeel risico 6 Concentratierisico 7 Systeemrisico (alias ketenrisico) 8 Model risk 9 'Risk risk' 10 'Uitruil' van risico's |
Koersrisico (ook bekend als marktrisico)
Dit is het risico op een daling van de (markt-)waarde van de activa, absoluut
(ze worden 'gewoon' minder waard) dan wel relatief (ten opzichte van een
benchmark).
Met dit risico wordt iedere belegger geconfronteerd: (bijna) elke belegging
kan in waarde dalen. Tot op zekere hoogte is er meestal wel een methode te
vinden om dit risico te reduceren, doch daaraan zijn vrijwel altijd kosten
verbonden, als was het maar dat door het reduceren van dat risico de kans op
een hoger rendement (wederom absoluut of relatief) geheel of gedeeltelijk
teniet gedaan wordt.
Een voorbeeld: indien een belegger een portefeuille aandelen aanhoudt, en hij
het absolute koersrisico (dus de kans op koersdalingen) wil verminderen, dan
kan hij dat bereiken door het kopen van een put-optie. Hij verwerft dan het
recht om die aandelen voor een vastgestelde prijs te verkopen. Hij heeft
daarmee dus een 'bodem' onder de waarde van zijn portefeuille gelegd. Echter,
het kopen van die put-optie kost geld (de premie), en daardoor wordt het
rendement op zijn portefeuille dus in elk geval lager. Aan de andere kant
behoudt hij, als de aandelen in koers stijgen, die waardestijging (minus dus
de betaalde premie). Indien later (bij het bereiken van de expiratiedatum van
de optie) blijkt dat hij de bescherming die hij met die optie verkregen
heeft, niet nodig heeft gehad, dan is die optie overbodig geweest. Zijn
rendement over die periode is echter verminderd met de kosten van de optie.
In vergelijking met de belegger die die optie niet gekocht heeft, heeft hij
het slechter gedaan. (Uiteraard ligt de situatie geheel anders indien de
aandelen zijn gezakt tot een zodanig niveau dat de optie bescherming heeft
geboden: dan is de belegger met de optie beter af, tot aanmerkelijk beter af.
Hij kan ook de aandelen op termijn verkopen. Hij weet daarmee al wat hij er
alsdan voor krijgt. Omdat zo'n termijncontract voor hem zowel een recht
tot verkoop als een plicht tot verkoop impliceert (en voor zijn tegenpartij
een recht op levering zowel als een plicht tot geleverd krijgen) zijn de
kosten van een termijncontract (aanmerkelijk) lager. Daar staat tegenover dat
de belegger een koersstijging tot boven het in het termijncontract genoemde
koersniveau verliest.
Bij het relatieve koersrisico spelen dit soort afwegingen evenzeer. (Zie
hierover ook het lemma Vermogensbeheer, bij het onderdeel
'beleggingsprofiel'.) De belegger die niet zozeer denkt in termen van
'absoluut rendement' doch eerder in termen van 'rendement van mijn
portefeuille versus het rendement van mijn benchmark', kan besluiten het
relatieve koersrisico tot nagenoeg nihil te reduceren door geheel conform die
benchmark te beleggen. Hij bereikt daarmee dat zijn rendement (nagenoeg)
gelijk zal zijn aan dat van de benchmark, maar hij geeft daarmee tevens de
kans op dat zijn rendement hoger zal zijn dan dat van de benchmark.
Alvorens men het absolute koersrisico kan gaan 'managen' zou dit
gekwantificeerd moeten worden. Hiervoor dient men in feite terug te vallen op
het historische verloop van de ontwikkeling van koersen. De veronderstelling
is dan dat als er is vastgesteld hoe groot de gemiddelde beweeglijkheid van
koersen is (en daarmee van fluctuaties in de marktwaarde van de beleggingen),
er met behulp van statistische technieken veronderstellingen kunnen worden
gedaan over de toekomstige beweeglijkheid ervan. In de praktijk kan dit aldus
worden uitgewerkt, dat als vastgesteld is dat de waarde van een
beleggingsportefeuille gedurende de afgelopen x handelsdagen met gemiddeld 5%
per dag fluctueerde, met 95% zekerheid kan worden gezegd dat die de volgende
dag met niet meer dan 2 x 5% = 10% (naar beide kanten) zal fluctueren. Met
andere woorden: deze portefeuille, die nu EUR 100 miljoen waard is werd de
afgelopen tijd elke dag gemiddeld 5% meer of minder waard, en op basis
daarvan kunnen we ervan uitgaan dat hij morgen 95% kans heeft dat hij een
waarde tussen de EUR 90 en 110 miljoen zal hebben. Op een termijn van twee
dagen kan die berekening voortgezet worden: de waarde zal dan, met de zelfde
mate van statistische kans, tussen EUR 81 mln en EUR 121 mln liggen. (EUR 90
miljoen -10% en EUR 110 miljoen +10%.)
Deze methode (hoewel uiteraard in de praktijk aanmerkelijk meer
gedetailleerd) ligt ten grondslag aan het begrip 'Value at Risk', waarmee
veel banken de gevoeligheid van (een deel van) hun activa in een getal
trachten te vatten. Een manager van een bank kan dan voor 'zijn' activiteiten
een risicobudget toebedeeld krijgen: hij mag dan een volgens een dergelijke
methode berekend bedrag niet overschrijden. (Opgemerkt wordt dat hierbij vaak
berekeningen worden uitgevoerd met meerdere perioden als basis: over bijvoorbeeld de
laatste 90 handelsdagen tot de laatste 5 handelsdagen. Hiermee worden recente
grotere koersfluctuaties 'in beeld gebracht'.)
De hoogte van een dergelijk risicobudget hangt samen met de beweeglijkheid
(volatiliteit) van de waarde van de portefeuille, en van de termijn die naar
schatting nodig is om, in geval van gedwongen verkoop, die verkoop inderdaad
te effectueren.
Indien dat risicobudget overschreden dreigt te worden, zal de manager
maatregelen moeten nemen. Welke methoden daarvoor geëigend zijn, zal van
de aard van de portefeuille afhangen. Soms zal (gedeeltelijke) verkoop het
beste zijn, soms het afdekken met opties of termijncontracten.
Het beheersen van het relatieve koersrisico is (in beginsel)
eenvoudiger: hiervoor kan direct gekeken worden naar het verschil in
ontwikkeling van de koersen van de betreffende benchmark versus die van de
beleggingsportefeuille. Die verschillen kunnen worden uitgedrukt in een 'mate
van beweeglijkheid' die vervolgens voor de portfoliomanager (de instelling of
functionaris die die beleggingsportefeuille beheert) als risicobudget kan
gelden. Zie hiervoor het lemma tracking error.
Ook hier geldt dat er aan het elimineren van dit risico 'kosten' verbonden zijn: indien met geen relatief koersrisico wenst te lopen, kan men kiezen voor een passieve beleggingsstijl. Doch daarmee raakt men tevens de kans op een hoger rendement dan dat van de benchmark kwijt. De prijs is weliswaar het prijsgeven van een kans, dock ook een kans heeft, in deze context, een waarde.
Een portfoliomanager die zijn tracking error ziet toenemen, en constateert
dat hij de grenzen van zijn risicobudget nadert, zal bijvoorbeeld zijn
beleggingsstijl moeten aanpassen, door beleggingen met een grotere
volatiliteit te verruilen voor beleggingen met een kleinere volatiliteit.
(Hij zal bijvoorbeeld aandelen moeten verkopen ten gunste van obligaties. Een
variant op een dergelijke situatie deed zich, tot op zekere hoogte, in 2003
voor toen de Pensioen- en Verzekeringskamer bij een aantal Nederlandse
pensioenfondsen aandrong op het verminderen van het percentage aandelen in de
beleggingsportefeuille.)
Debiteurenrisico
Dit is het risico dat een debiteur niet aan zijn verplichtingen kan voldoen.
Zie hiervoor de lemma's Debiteurenrisico en Obligatierating. Financiële instellingen zullen dit risico inzichtelijk trachten te maken door op basis van historische gegevens schattingen te maken van de omvang van de uit een bestaande portefeuille voortvloeiende hoeveelheid wanbetalingen. Bij een breed gespreide portefeuille (bijvoorbeeld woninghypotheken of particuliere leningen) is dit redelijk tot goed te doen: de ervaring is dan dat per jaar x% van het totaal aan uitgeleend geld niet betaald wordt. Bij grotere kredieten, bijvoorbeeld aan ondernemingen, is dit moeilijker te ramen: er zullen niet veel grote relaties in de problemen komen, maar als dat gebeurt zijn er ook grote bedragen mee gemoeid.
Settlementsrisico
Dit is het risico dat bij de afwikkeling van een transactie men wel aan zijn eigen verplichtingen voldaan heeft, doch de tegenpartij niet aan diens verplichtingen voldoet. Dit kan (in vergaande mate) beperkt worden door (steeds) vast te houden aan het principe van 'gelijk oversteken', hetgeen bij de afwikkeling van effectentransacties gebruikelijk is.
Om dit te bereiken wordt bij de afwikkeling van effectentransacties vrijwel altijd gebruik van gemaakt van gespecialiseerde 'clearing houses', waarbinnen transacties afgewikkeld worden.
Juridisch risico
Dit is het risico dat een vordering niet in rechte afdwingbaar blijkt te
zijn. Bijvoorbeeld: een debiteur beroept zich er met vrucht op dat aan
formaliteiten niet voldaan is zodat een lening niet geldig tot stand gekomen
is, of een garant beroept zich er met vrucht op dat de crediteur niet op tijd
zijn rechten heeft uitgeoefend en daarmee 'de zaak op zijn beloop heeft
gelaten'. Ook is het mogelijk dat men in land A een veroordeling tegen een
debiteur verkrijgt, doch dat men er (om welke reden dan ook) niet in slaagt
om die in land B (waar de debiteur vermogen heeft waarop men verhaal tracht
te nemen) ten uitvoer te leggen.
Een voorbeeld dat zich in de praktijk heeft voorgedaan: een aantal gemeenten
in het Verenigd Koninkrijk had (tamelijk gecompliceerde) transacties op de
derivatenmarkt afgesloten, die voor hen nadelig waren afgelopen. Door de
banken die bij deze transacties tegenpartij waren geweest aangesproken tot
betaling wierpen ze de stelling op dat gemeenten niet bevoegd waren om dit
soort transacties aan te gaan, en dat dit voor hun tegenpartijen kenbaar was
geweest. Dit betoog werd door de rechter aanvaard, en de betrokken
tegenpartijen beleven met een onverhaalbare vordering zitten.
Een ander voorbeeld deed zich in het najaar van 2004 voor naar aanleiding van financiële problemen rond het bedrijf RDM. Het Rotterdamse Gemeentelijk Havenbedrijf bleek voor aanmerkelijke bedragen garanties te hebben afgegeven. Toen de banken ten wiens behoeve deze garanties waren afgegeven op betaling aandrongen, werd gesteld dat de directeur van het Havenbedrijf hiertoe niet bevoegd was geweest, en er derhalve geen betaling hoefde te geschieden. In oktober 2004 was de uitkomst van dit geschil nog onbekend.
Dit risico kan beheerst worden door te zorgen dat de juridische documentatie
(die in de honderden pagina's kan lopen) van optimale kwaliteit is.
Operationeel risico
Dit is het risico dat door een tekortschieten van de werking van de eigen
organisatie fouten niet tijdig opgemerkt worden of zelfs fraude kan optreden.
Dit kan ondervangen worden door een deugdelijke functiescheiding, een goed
beschreven adminstratieve organisatie, en een toezicht op de naleving van de
afgesproken procedures. (Een klassiek geworden voorbeeld van een situatie
waarbij op dit gebied tekortkomingen aan het licht kwamen is de ondergang van
de Britse bank Barings: bij diens filiaal in Singapore bleek een handelaar in
staat te zijn om transacties voor eigen rekening zelf te administreren als
zijnde verricht voor een niet-bestaande klant van de bank. (Aanmerkelijke)
verliezen op die transacties die daarna aan het licht traden bleken toen niet
op die (niet bestaande) klant verhaalbaar te zijn, doch voor rekening van de
bank te komen.)
Concentratierisico
Dit is het risico dat een te groot deel van het vermogen bij
één debiteur geconcentreerd blijkt te zijn. Indien deze
failliet mocht gaan, zijn de gevolgen aanzienlijk groter dan indien het
vermogen meer gespreid belegd is. Het is gebruikelijk dat vermogensbeheerders
maatstaven hanteren voor het beheersen van het concentratierisico,
bijvoorbeeld in de vorm van maxima per debiteur, al dan niet gerelateerd aan
het eigen vermogen van die debiteur.
Systeemrisico (alias ketenrisico)
Dit is het risico dat een probleem bij één financiële
instelling leidt tot problemen bij andere instellingen. Een voorbeeld: bank A
gaat, door welke oorzaak dan ook, failliet; banken B en C hebben geld geleend
aan bank A. Spaarders die rekeningen aanhouden bij banken B en C willen 'voor
de bui binnen zijn' en willen hun geld opnemen, doch banken B en C raken
daarmee in korte tijd door hun liquiditeiten heen, en komen ook in
moeilijkheden.
Dit is een risico dat niet zozeer een individuele financiële instelling
regardeert als wel de toezichthouders op de financiële sector. De portee
van dit risico is moeilijk in te schatten. Dat het, gelet op de zeer grote
geldstromen in de financiële wereld, geenszins verwaarloosbaar is, wordt
algemeen aangenomen. Duidelijk is eveneens dat toezichthouders zich van het
bestaan ervan bewust zijn, evenals van de potentiële gevolgen ervan.
Wellicht is de vergelijking met een epidemie te trekken: een in moeilijkheden
verkerende financiële instelling is tot op zekere hoogte te vergelijken
met een geïnfecteerde patiënt. Die patiënt zal zo spoedig
mogelijk in quarantaine geplaatst worden, voordat hij anderen kan besmetten.
Bij een financiële instelling neemt dit de vorm aan dat de diverse
toezichthouders zullen trachten te voorkomen dat de liquiditeitsproblemen en
de daarmee samenhangende vertrouwensbreuk zich over het financiële
systeem verspreiden. Dit leidt dan tot een 'reddingsoperatie' waarbij meestal getracht wordt de in moeilijkheden verkerende instelling ordelijk te liquideren, ofwel deze te doen overnemen.
Hoewel uiteraard elke deconfiture er één teveel is, lijkt het
erop dat het systeemrisico vrij goed beheerst wordt. Er hebben zich wel
deconfitures voorgedaan (waarbij uit een langere lijst hier geheel
willekeurig Barings en Long Term Capital Management genoemd worden), doch de
'uitstralingseffecten' bleven steeds beperkt.
Model risk
Dit is het risico dat een economisch of econometrisch model dat men bij het
vormgeven van het beleggingsbeleid gebruikt de werkelijkheid niet goed blijkt
weer te geven.
Elk model is een gestileerde weergave van de werkelijkheid, en er kunnen zich
legio redenen voordoen waarom het gedrag van de werkelijkheid afwijkt van
hetgeen door het model voorspeld wordt. Er kunnen variabelen in het model
ontbreken die in de werkelijkheid wel degelijk een rol blijken te spelen. In
het model aangenomen verbanden tussen variabelen blijken in de werkelijkheid
geheel anders te zijn. (Een voorbeeld: in de beleggingstheorie spelen
veronderstellingen omtrent het relatieve gedrag van deelmarkten een
belangrijke rol: zo'n veronderstelling kan (versimpeld) luiden 'als
aandelenmarkten omlaag gaan, gaan obligatiemarkten omhoog'. In tijden van
financiëe crises plegen dergelijke verbanden nogal eens significant te
veranderen. Indien een economisch model sterk op dergelijke verbanden leunt,
en de werkelijkheid zich niet volgens het model gedraagt, bestaat er een
gerede kans op problemen. Die zullen dat in eerste instantie niet gezocht
worden in het model, doch daarbuiten.)
Het gevolg is dat er een meer dan te verwaarlozen kans is dat beslissingen
die op basis van dergelijke modellen zijn genomen niet goed uitpakken. Een
methode om dit risico in te dammen is niet eenvoudig te geven. Hooguit kan
men trachten op de (soms impliciete) veronderstellingen die in het model
vervat zijn kritisch tegen het licht te houden. Verder is 'stress testing'
aan te raden: hoewel het gedrag van het model plausibel is bij normale
omstandigheden (zoals een bescheiden rentestijging, of een wijziging van
valutakoersen met 10%), hoe werkt dit bij extreme situaties, zoals een
halvering van aandelenkoersen? De uitkomsten van het model zullen dan in elk
geval een globale plausibiliteitstoets moeten kunnen doorstaan.
'Risk risk'
Deze term is in de literatuur gebruikt voor de situatie dat men een type
risico over het hoofd gezien blijkt te hebben. Dit fenomeen is, badinerend,
aangeduid als 'tree risk', met als omschrijving 'het risico dat men door de
bomen het bos niet meer ziet'. Bij complexe financiële producten is dit
een geenszins denkbeeldig gevaar.
'Uitruil' van risico's
Opgemerkt wordt dat in veel gevallen een vermindering van het ene risico een
toename van een ander risico met zich meebrengt. Een voorbeeld: het
debiteurenrisico van aanmerkelijk gereduceerd worden door een garantie van
een derde partij, dat een debiteur aan zijn verplichtingen zal voldoen.
Echter, de aanwezigheid van een dergelijke garantie pleegt gepaard te gaan
met een lager rendement op de betreffende belegging. Indien in de benchmark
daarmee geen rekening wordt gehouden, zal het rendement op de portefeuille
lager zijn dan het rendement van de benchmark, hetgeen weer een toename van
het relatieve koersrisico is.
Risicomanagement is dan ook niet zozeer een kwestie van het (zoveel mogelijk)
ecarteren van risico's doch van het in kaart brengen van risico's, het
(indien doenlijk) kwantificeren van die risico's, en het zoeken naar een
optimale balans tussen al die risico's.
categorie:Beleggen
  
 
 
 
 
 
 
 
Terug naar Balder Beleggen  
